Leerlingen schrijven kortverhalen over Antarctica

Leerlingen van het vierde jaar schreven in teamverband enkele mooie kortverhalen. Hier kan je er alvast enkele lezen:

1. The Antarctic Games: Finale

2. Vermist

3. Strikje

4. Perron 0

5. Expeditie vermist

1. The Antarctic Games: Finale

De grote angstaanjagende sporen in de verse sneeuw verraadden dat de losgelaten roofdieren extreem gevaarlijk zijn. Coen Reimlaen liep zuidwaarts bepakt en gezakt met wapens en overlevingspakketten. Ook de andere finalisten, waaronder de moordzuchtige avonturierster Mauri en de Duitse expeditieleider en ex-marinier Drygalski waren van de partij.

Om de finale te winnen moesten Mauri, Drygalski en Reimlaen 3 dagen in de barre omstandigheden leven van Antarctica en 3 missies voltooien. Als ze erin zouden slagen, kregen ze een bedrag van 1 miljoen euro. Elke deelnemer kreeg één van de losgelaten roofdieren achter zich aan gestuurd. Het was winter in Antarctica, dus is het 24 uur per dag donker. Zonder een nachtkijker zouden de deelnemers geen enkel gevaar zien, zoals bv. de talloze breuken in het ijs.

Coen Reimlaen lag rustig een uiltje te vangen in zijn tent, totdat hij gewekt werd door krakende voetstappen op de sneeuw. Het monster sloop geruisloos naar de tent en sprong er met al zijn kracht op, maar tot zijn grote teleurstelling was de tent verlaten.

Coen Reimlaen schoot het beest met zijn kruisboog in het hoofd. Het viel als een blok voorover. Coen ontsnapte aan het verschrikkelijke beest door onder zijn tent een gang te graven die een enkele meters verder onder een beschuttende rots aan de oppervlakte kwam. Hij had zich al kruipend gewapend door de onderaardse gang. Coen had alvast de eerste missie tot een goed einde gebracht. Ook Mauri overleefde de aanval van een ander monster door een valstrik te plaatsen met vallende rotsblokken. Drygalski was tenonder gegaan door z’n eigen valstrik met zijn eigen wapens.

Beide overlevenden trokken apart verder in de sneeuw met hun nachtkijker en belandden aan hun tweede hindernis, een ravijn.  Coen bevestigde een touw aan een pijl en laadde zijn kruisboog, richtte en schoot de pijl in de tegenoverliggende wand van het ravijn. Daarop bevestigde hij zijn gordel aan een musketon die op zijn beurt met het touw verbonden was. Vervolgens liet hij zich buikwaarts op het touw vallen en zo trok hij zichzelf op armkracht naar de overkant. De gure wind en sneeuw bemoeilijkten het evenwicht van Coen.

Mauri stond slechts enkele honderden meters verder aan dezelfde kloof, zij had geen kruisboog om een beroep op te doen. Ze sloeg een haring in de grond, knoopte er een touw aan vast en liet zich achterwaarts zakken en seilde vervolgens naar beneden ab. Toen ze aan het einde van haar touw kwam, was de bodem nog lang niet in zicht. Ze dacht na en stootte zich plots af tegen de wand om de overkant te bereiken. De kloof was veel smaller bij Mauri dan de plaats waar Coen stond. Mauri probeerde verschillende malen en uiteindelijk haakte ze zichzelf vast met haar ijsbijl. Op kracht klom ze naar boven en bereikte ze de begane grond. Haar langste touw moest ze achterlaten.

De sneeuwstorm die razendsnel dichterbij kwam,vormde de laatste bedreiging. Coen had zijn tent opgeslagen en schuilde voor de storm. Toen hij naar buiten moest om een door de hevige wind gescheurd zeil opnieuw vast te binden, vielen verschillende ijspegels en stenen van een grote beschutting biedende rots naar beneden. Coen deinsde acheruit en struikelde. Tijdens zijn val switchte zijn nachtkijker van nachtmodus naar warmtegevoeligheidsmodus. Nu zag hij een vage witte schijn van iemand die rustte in zijn tent aan de andere zijde van de rots. Coen liep erheen en riep: ”Mauri?!”. Mauri was altijd op haar hoede en greep onmiddellijk haar wapens. Coen bedaarde haar en legde alles uit. Het verdere verloop van de expeditie bleven ze bij elkaar en bouwden ze een sterke band op.

Ze kregen beiden de prijs van 1 miljoen euro, maar hadden een veel grotere schat gevonden, de liefde.

Het toeval wou dat ze elkaar in het ijskoude Antarctica ontmoetten en samen nog lang en gelukkig leefden in een villa in het bloedhete Zuid-Afrika.

2. Vermist

Het is barkoud en de wind schuurt over mijn gezicht. Ik trek mijn neus op en voel de koude door mijn hoofd stromen. Het is drie dagen geleden dat ik voor het laatst een levend wezen heb gezien. Mijn geest en mijn lichaam lijken het elk moment te kunnen begeven. Ik kijk rond, op zoek naar iets dat mijn redding zou kunnen betekenen, maar het blijft stil. Ik hoor enkel nog het gesuis van de wind in mijn oren.

Ik draai me om. Ik voel de leegte naast me in bed. Het was weer eens een slapeloze nacht. Ik kan het maar niet uit mijn gedachten verbannen.  Zijn afwezigheid maakt me gek. Ik weet dat iedereen alles doet wat binnen hun bereik ligt, maar dat is slechts een vage troost. Ik mis hem zo.

Ik weet niet meer hoe laat het is, welke dag het is, waar ik ben… De weerkaatsing van de zon in de sneeuw doet pijn aan mijn ogen. Ik sluit ze en wens dat als ik ze open doe, ik weer thuis ben en alles voorbij is. Ik verlang naar huis. Mijn leven lijkt aan mij voorbij te flitsen en er is niets dat ik kan doen. Ik vrees het ergste, maar ik mag de moed niet opgeven.

De bel gaat. Ik loop naar de deur. Ik voel dat ik verzwakt ben, ik heb de laatste dagen niks gegeten en mijn weerstand is er enorm op achteruit gegaan. Ik kijk door het kleine raampje bovenaan de deur en zie commissaris Janssen staan. Ik bereid me voor op slecht nieuws. Dat deed ik al meerdere malen deze week als de telefoon ging of als er iemand aanbelde. Ik open de deur en Janssen komt binnen. Ik bied hem zoals gewoonlijk koffie aan en vraag hem te gaan zitten. Hij neemt een slok koffie en vertelt me dat Koens rugzak gisteren gevonden is. Ik word nog maar eens met mijn neus op de feiten gedrukt, de kans dat Koen nog leeft is klein. Het wordt me te veel, ik word kwaad en roep dat ik het beu ben om in deze onzekerheid te leven. Janssen probeert me te kalmeren maar ik luister niet. Ik gebruik mijn laatste krachten en roep zo luid dat ik me duizelig voel. Een golf van emoties overvalt me en alles wordt zwart.

Ik loop en loop en loop… Ik vraag me af of het nog zin heeft. Ik zou me op de grond kunnen zetten en wachten tot ik doodvries. Misschien is dat de kortste pijn. Maar ik denk aan thuis, aan Ann, het verlangen naar haar houdt me sterk. Ik kan nog niet opgeven, ik moet blijven geloven dat het goed zal komen. Mijn voeten voelen als lood, maar ik blijf stappen, niet wetend waar ik ben of ga terechtkomen.

Ik open mijn ogen, ik herinner me niks. Janssen zit naast mij, hij zegt dat ik met een harde klap de vloer geraakt heb. Nu weet ik het weer, de rugzak die gevonden was. Janssen brengt me een glas water. In slechts een paar slokken drink ik het leeg. Ik voel me al wat beter en vraag hem of hij me even alleen kan laten. Ik zie de ongerustheid in zijn ogen, maar hij doet wat ik hem vraag. Ik hoor de slag van de deur in het slot. Ik neem een deken en draai het rond me. Ik sluit mijn ogen en val meteen in een diepe slaap.

Ik loop nu al dagen lang door dit witte landschap en er is nog steeds geen teken van leven. Ik ben moe, ik heb amper geslapen. Het is te koud om lang stil te blijven zitten. Ik merk dat mijn vingers al onderkoelingsverschijnselen vertonen. Ik kijk voor me uit, naar een eindeloze horizon, prachtig en tegelijkertijd vol gevaren. Een ongekend terrein dat ik wou betreden zonder te weten wat ik allemaal riskeerde. Ik wist dat er een kans was dat het zou misgaan, maar dat ik het zelf zou ervaren, leek slechts een nachtmerrie die nooit zou uitkomen.

Het begon allemaal vijf dagen geleden, we hadden besloten om een paar dagen op stap te gaan. Alain, ik en nog twee mensen die onderzoek deden naar de opwarming van de aarde. Het leek goed begonnen, we waren al een tijdje op stap zonder problemen en alles verliep zoals gepland. Het was de avond van onze tweede dag dat ik merkte dat Alain niet gerust was. Het was hevig beginnen waaien en het leek er niet op te verbeteren. Normaal gezien hadden we nog een heel eind af te leggen die dag, maar omwille van het slechte weer besloten we toch onze tenten op te zetten. Die nacht was verschrikkelijk. De wind raasde langs de tenten, het leek alsof ze het elk moment konden begeven. Ik hoorde plots een hels geluid, het was iemand die schreeuwde. Alain zei dat hij zou gaan kijken of alles goed was. Ik zei dat het veel te gevaarlijk was om nu de tent te verlaten, hij zou zijn leven riskeren. Hij luisterde niet en ging naar buiten. Ik riep hem achterna maar er kwam geen antwoord. Ik durfde niet naar buiten te gaan, ik besloot te wachten tot de storm was gaan liggen.

Toen ik merkte dat het stil was buiten, deed ik de tent open. Ik stapte naar buiten. Toen ik achter de tent keek, zag ik dat één van de sleeën op de andere tent gevlogen was. Ik ging kijken en trof de lichamen van mijn medereizigers aan. Van Alain was geen spoor. Ik wist niet meer wat te doen. Het leek me het veiligst te blijven waar ik was en te wachten op hulp.

Ik merkte dat er niemand kwam en besloot op stap te gaan. Ik weet niet meer waarom ik dat deed, maar het wachten maakte me gek. Ik nam mijn rugzak, stopte er al het eten dat ik kon vinden in en vertrok.

Gisteren had ik alles opgegeten en mijn rugzak achtergelaten. Ik had pijn in mijn voeten en het leek me nutteloos hem nog langer te dragen.

Ondertussen blijf ik lopen, alles speelt als een film in mijn hoofd af, opnieuw en opnieuw.

Ik begin te huilen. Ik hoor een gezoem in mijn oren, ik kijk achter me en zie iets dat wat ik al drie dagen hoopte te zien. Een helikopter komt mijn richting uit gevlogen, ik begin te zwaaien. Ik lijk voor het eerst sinds dagen weer kracht te hebben, ik voel de vreugde door mijn aderen stromen.

Ik voel vaag iemand mijn schouder aanraken, ik schrik. Het is Janssen, hij lacht naar me. Ik vraag hem waarom hij steeds lacht. Hij vertelt me dat lachen voor hem zoveel is als de hoop niet opgeven. Ik kijk hem aan en probeer vaag terug te lachen.

Hij vertelt me dat Koen teruggevonden is, dat hij slechts licht gewond is en dat ik hem onmiddellijk kan gaan bezoeken. Ik kijk op, niet goed wetend wat me overkomt. Ik sta op zonder een woord te zeggen, ik neem mijn jas en stap naar de deur. Ik open ze en stap de trap af. Ik voel de wind door mijn haar, het voelt zacht aan. Ik voel eindelijk weer een innerlijke rust. Janssen komt me achterna, hij knipoogt naar me en ik glimlach terug.

3. Strikje

Zijn zware stem bleef nazinderen in mijn hoofd. Ik hoorde het hem nog zo zeggen: ‘Nog even en jullie zijn klaar om op te eten, jullie zien er verrukkelijk uit.’ De vuurgele vloeistof die over m’n borst liep, vormde een keurig strikje dat geaccentueerd werd met roze stippen.

‘Rico? Stop met dromen, straks merken ze ons nog op!’ Ik realiseerde me weer dat we nog een lange weg af te leggen hadden. Coco nam mijn vleugel vast en trok me opzij. ‘Waar zijn we?’ vroeg ik. ‘We zijn eindelijk in Kaapstad.’ We zochten een plekje in de schaduw waar we even op adem konden komen. Ik sloot mijn ogen en dacht terug aan de bakkerij.

Ik voelde opnieuw de klap waarmee ik tegen de grond smakte. Even was ik het zuiden kwijt, maar toen werd ik me ervan bewust wat er juist gebeurd was. De bakker begon te schelden toen hij de anderen in stukken op de grond zag liggen. Ik zag hoe hij wegliep. Ik stond op en zag dat Coco de enige was die het samen met mij overleefd had. We keken elkaar aan en in één oogopslag wisten we wat er ons te doen stond.

Coco schudde me wakker. ‘Waar zit jij toch met je hoofd, Rico?’ ‘Ik dacht terug aan de bakkerij… Hoe de plaat waarop we lagen van de toonbank viel en hoe de anderen nog slecht gewone stukjes chocolade waren.’ Coco knikte me begrijpend toe, we hadden immers hetzelfde meegemaakt. ‘Waar gaan we naartoe, Coco?’, vroeg ik. ‘We gaan naar een plaats waar het veilig is.’ Met bange ogen keek ik hem aan. ‘Is het hier dan niet veilig?’, vroeg ik onzeker, maar op het moment dat ik de vraag stelde, voelde ik hoe mijn vleugeltje langzaam begon te smelten.

‘Help me, Rico! We moeten deze deur open zien te krijgen.’ Ik snelde Coco te hulp en samen kregen we de deur een klein stukje open, net genoeg om er met onze smalle lijfjes tussen te kunnen ontsnappen. Coco en ik keken met open mond rond ons. Nooit hadden we gedacht de buitenwereld te kunnen ontdekken. Na enkele stille minuten van verbazing, beseften we dat we geen tijd te verliezen hadden. We begonnen te rennen maar zagen na enkele minuten in dat met onze kleine pootjes rennen geen optie was. Uiteindelijk slaagden we erin op een trein te springen. Eindelijk waren we veilig. Tenminste, dat dachten we toch…

‘Dit is ons plan, Rico,’ zei Coco, ‘Deze nacht proberen we op dat vliegtuig daar te klimmen.’ Coco wees met zijn vleugel naar een klein, oud vliegtuigje dat we in de verte konden zien staan. ‘Het vliegtuig vliegt morgenochtend naar Antarctica.’ ‘Antarctica?’ Ik had er nooit eerder van gehoord. ‘Antarctica is de koudste plaats op aarde. Daar zijn we veilig, daar zullen we niet smelten.’ De zon scheen fel en zelfs in de schaduw was de warmte verstikkend. Ik kon mijn linkervleugel nog amper bewegen, hij begon steeds sneller en sneller te smelten. Ook Rico’s vleugels en een deeltje van zijn pootje begonnen langzaam te smelten. Ik zag dat m’n strikje stilletjes weer vloeistof werd. ‘Gaan we op tijd zijn, daar waar het veilig is?’, vroeg ik bang. ‘Ja’, antwoordde Coco, maar in zijn ogen zag ik twijfel.

‘Mijn strikje! Coco, mijn strikje! Er zit een barst in!’ We zaten verstopt in een bagagetas van een treinreiziger en wisten niet naar waar we op weg waren. We konden alleen hopen dat we er veilig zouden zijn. Coco draaide zich ongerust naar me toe. Het strikje om onze hals betekende alles voor ons. Elke pinguïn had een ander strikje, het was iets uniek en je moest het je hele leven dragen. Er prikten tranen in mijn ogen. ‘Rustig maar, Rico. Het is maar een klein barstje, het zal erin gekomen zijn toen je van de toonbank viel.’ ‘Ben ik nu nog uniek, Coco? Een pinguïn met een barst in zijn strikje is toch een waardeloze pinguïn ?’ Rico sloeg zijn vleugel om me heen. ‘Nee, Rico, maak je maar niet ongerust. Weet je, die barst in je strikje maakt je zelfs nog meer uniek dan je al was. Unieker dan ik. Je moet je geen zorgen maken, het komt goed.’ Toch had ik het gevoel dat Rico tegen me loog.

Coco werd zwakker en zwakker, zijn pootjes begonnen steeds vlugger te smelten. ‘Niet opgeven, Coco. We zijn bijna bij het vliegtuig en het wordt nacht, het begint lichtjes af te koelen.’ Uiteindelijk raakten we tot bij het vliegtuig. ‘Ik ben te zwak, Rico. Ik kan niet meer. Ik raak onmogelijk op het vliegtuig.’ Even wist ik niet wat zeggen. Ik was bezorgd om Coco en ik durfde niet alleen naar Antarctica. Ik zou Coco niet in de steek laten! Zonder hem ging ik niet. ‘Het lukt ons wel, Coco. Ik laat je niet zomaar achter!’ Ik keek in het rond, op zoek naar een middel om Coco op het vliegtuig te helpen, maar zag niets. Stilaan begon ik de moed op te geven. Ik schrok. Een man met een groene jas en grote, zwarte schoenen, kwam naar het vliegtuig gelopen. ‘Koen, je bent nog wat vergeten!’ De man met de groene jas zette de koffer die hij in zijn handen had neer en keerde terug naar het grote gebouw waaruit hij enkele ogenblikken geleden verscheen. ‘Dit is onze kans!’ Ik greep Coco’s vleugel vast en we slaagden erin ons te verstoppen in de koffer van de man.                                                                                                   

Ik vond het vervelend dat we ons steeds moesten verstoppen. In de bakkerij dacht ik dat de wereld alleen uit bakkers en uit vrolijke figuurtjes in chocolade bestond. Nu we een lange treinreis hadden afgelegd en we al een heel stuk hadden gestapt, wist ik dat het helemaal niet zo was. Coco had me proberen uitleggen dat ‘de echte mensen’ niet wisten van ons bestaan. Ik begreep er niets van. Ik dacht dat ‘grote mensen’ ons kochten en opaten, dan wisten ze toch van ons bestaan af? Coco zei me dat ik er over moest ophouden, omdat ik het toch niet begreep. Toen zweeg hij. Ik had er geen idee van hoe lang we al op weg waren, maar ik vertrouwde Coco en wist dat hij ons in veiligheid zou brengen. Ook al maakten zijn ongeruste ogen me bang.

‘Gaat het, Coco?’ Ik keek hem angstig aan. Mijn linkervleugel was ondertussen helemaal weggesmolten maar ik voelde dat de temperatuur veranderde. Het werd kouder en dat was goed. Ik voelde me opnieuw sterker worden. Coco’s situatie veranderde niet. Hij was te veel gesmolten door de warme temperaturen in Kaapstad en hij was te zwak geworden. ‘Wees maar niet ongerust over mij’, zei hij, ‘Ik overleef dit wel. En jij ook. Jij moét het overleven, Rico, anders is deze reis voor niets geweest.’

‘Mijn pootjes doen pijn, deze reis is echt te vermoeiend voor me. Zijn we er bijna?’, vroeg ik. ‘Nog enkele dagen en we zijn in Kaapstad,’ zei Coco. ‘Zijn we daar eindelijk veilig?’ ‘Ja, daar zijn we veilig. Of toch bijna…’, antwoordde Coco onzeker. Die laatste woorden hoorde ik bijna niet meer, ik was moe van de lange reis en dommelde in.

Ik werd wakker geschud door een harde klap. ‘Coco, we zijn er’. Enthousiast keek ik hem aan. ‘Kom, laten we uit de koffer klimmen. We zijn veilig, we zijn vrij!’ ‘Niet doen, we wachten nog even. De eigenaar van deze koffer mag ons niet opmerken, dan zijn we niet langer veilig. Nog enkele seconden geduld. Ik luisterde naar Coco’s raad. Seconden werden minuten en minuten werden uren, maar uiteindelijk kreeg ik van Coco de toestemming om uit de koffer te ontsnappen. ‘Rico, als je uit de koffer bent, begin dan te rennen. Het is ochtend, ren naar het oosten. Waar de zon nu schijnt. Wees niet ongerust, ik kom je achterna. Ik ben alleen iets trager, maar na enkele minuten ben ik bij je en dan zijn we vrij en voorgoed veilig.’ Ik twijfelde even maar kroop toen uit de koffer en begon te rennen. Ik rende zo snel ik kon en hield na enkele minuten halt. Ik rustte even uit en begon opnieuw te rennen, naar daar waar de zon nu scheen, net zoals Coco me bevolen had. Het vliegtuig was nu nog slechts een heel klein vliegtuigje, ik had een heel eind gelopen en besloot dat ik veilig was. Nu pas keek ik om me heen en genoot van de prachtige omgeving. Ik kon oneindig ver kijken en zocht naar Coco, maar ik kon hem nergens zien. Ik merkte op dat de zon niet meer boven m’n hoofd stond, maar nu naast me stond. De zon was verschoven, zou Coco ook de zon gevolgd zijn? Zou hij dus de andere kant oplopen? Opeens voelde ik me erg klein en eenzaam. Misschien hadden de mensen Coco opgemerkt? Of was hij verloren gelopen? Met tranen in mijn ogen viel ik in slaap.

Uren waren verstreken, maar Coco was nergens te bespeuren. Stilaan begon ik me neer te leggen bij het feit dat ik helemaal alleen was. Een chocolade pinguïn, helemaal alleen op Antarctica… Ik stond op het punt te vertrekken, op zoek naar Coco, toen ik merkte dat ook mijn rechtervleugel begon te smelten. Ik begreep er niets van en raakte lichtjes in paniek. Coco had gezegd, zelfs gezworen, dat we hier veilig zouden zijn. Ik liet me in de sneeuw vallen en had me nog nooit zo verdrietig gevoeld. ‘Rico!’ Ik voelde een vleugel op mijn schouder. ‘Coco! Ik omhelsde hem en zag hoe ook hij bleef smelten. Coco kwam naast me zitten. Ik zag hoe de topjes van zijn strikje naar beneden hingen. ‘Je bent nu ook uniek, unieker dan ik’, zei ik. Coco keek naar zijn strikje en lachte kort. ‘Weet je, Coco, mijn beste vriend, ik ben zo blij dat we samen gevlucht zijn, hier voel ik me veilig.’ Rico keek me droevig aan. Ik wist wat hij me nu ging zeggen, maar luisterde toch aandachtig. ‘Rico…Vroeger was het hier koud, vroeger zouden we hier overleefd kunnen hebben. Maar nu… Ik weet het niet, Rico. De wereld warmt op, zelfs in Antarctica is het niet meer koud. Het spijt me.’ Ik glimlachte en Coco schrok van mijn reactie. ‘Dat weet ik, Coco. Maar ik smelt liever hier, vrij en veilig, dan opgegeten te worden door een dikke tante.’ Ik legde mijn hand op mijn strikje en voelde hoe de barst erin langzaam toesmolt.

4. PERRON 0

De eerste sneeuwvlokken dwarrelen langzaam neer op het flikkerende reclamebord aan de overkant van het lege perron.

De eerste sneeuwvlokken…
Een jaar geleden krijgt Edward groot nieuws. Ik zit in de zetel te genieten van een glaasje wijn wanneer hij mij opbelt en me vertelt dat hij met een groep onderzoekers op expeditie mee mag naar de Zuidpool.

Ik kijk op mijn horloge: klokslag 11uur, nog 7minuten en de trein zou moeten aankomen. Herinneringen flitsen door mijn gedachten en wederom slaat de twijfel toe.

Het lijkt een eeuwigheid geleden dat ik hier afscheid nam van mijn vriend. Ik voel een rilling over mijn rug die mij doet terugdenken aan die kille herfstdag.

Hij stopt zijn laatste bagage in de auto en neemt haastig plaats achter het stuur. Eenmaal aan het station aangekomen haasten we ons naar het perron door de mensenmassa. Alle geluiden weergalmen door de gang van het station. De omroepster kondigt de trein naar Zaventem aan. De remmen van de trein maken een krijsend geluid. Hij neemt me stevig vast in zijn armen en drukt haastig zijn zachte lippen tegen mijn voorhoofd. “Ik hou van jou.”

De stationsklok aan de zwart-wit betegelde muur beweegt zijn wijzers moeizaam. Iedere seconde lijkt wel een uur te duren. De grond beeft lichtjes door de trein die aankomt op het volgende perron. Even is het rumoerig maar met een windvlaag sterft het geluid weer weg.

Die windvlaag brandt mijn tranen in mijn gezicht bij de gedachte dat Edward Antarctica niet overleefd heeft.

De sneeuw die intussen was overgegaan in motregen kleurt geel door de treinlichten. “Nu moet ik het doen”, denk ik bij mijzelf. Langzaam schuifel ik naar het spoor toe. Ik sluit mijn ogen en maak mij gereed…

5. Expeditie vermist

Het felle licht verblindt me, de grootste agent geeft teken dat ik mag beginnen. Maar ik weet niet waar te beginnen. Het verhaal is zo lang, verbrokkeld en onzeker. Ik weet maar één ding. Ik heb het niet gedaan. Dus begin ik maar te vertellen.

“Hij was lijkbleek, waarschijnlijk was al zijn bloed weggelopen door de schotwond in zijn onderrug. Ik herkende hem aan zijn peperdure horloge dat een doorsnee wetenschapper niet zou kunnen betalen. Het glas was gebroken en de klok stond stil op 1 voor 12. Hij lag languit op de vloer. Ik stond stokstijf in de kamer. Mijn hoofd tolde. Ik ging even zitten, en vergat de tijd. Ik probeerde me ons eerste moment in de luchthaven voor te stellen.”

De vrouw achter de balie keek ons vriendelijk aan, “Your passports, please”. François keek op zijn horloge. We hadden nog een halfuur voor de vlucht vertrok. Ik ging vlug wat koffie halen. Toen ik terugkwam met twee kartonnen bekertjes met dampende koffie stond François met een beveiligingsagent te praten. Nochtans was hij niet het type dat snel een praatje sloeg met vreemdelingen. Achteraf vertelde hij dat er iets mis was met de bagage. We waren nog niet vertrokken op expeditie of de problemen waren al begonnen.

De lachende gezichten op de foto’s keken me dreigend aan. We hadden ze bij onze aankomst aan de kille witte muur gehangen om de leegte op te vullen. Nu benamen ze me alleen de adem. Het lijk lag er nog steeds, niet dat me dat verbaasde, maar wat zou ik met hem doen? Ik durfde hem niet aan te raken. Al het leven was uit hem verdwenen. Terwijl ik naar het wapen begon te zoeken dat mijn vriend het leven had ontnomen, dacht ik aan al onze mooie momenten. Alleen de erge bleven als een zure citroen in mijn mond nazinderen.

François was in alle staten, zijn Rolex was verdwenen. Al het bloed was naar zijn hoofd gestegen. Zijn wijd opengesperde ogen keken me beschuldigend aan.”Wind je niet zo op François, je bent gewoon wat slordig geweest. Dat ding ligt hier gewoon ergens rond te slingeren.” “Noemde jij mijn Rolex zojuist een ding?! Weet jij wel wat me dat gekost heeft? Het is gestolen, ik weet het zeker”. “Maar François, denk nu toch eens na. Wie zou er nu jouw horloge hebben gestolen, hier op Antarctica? Jij weet toch ook dat de pinguïns geen klok kunnen lezen, buiten ons is hier niemand die dat kan.””Jaja, dat weet ik ook wel. Dus de enige die zo slim is om het te stelen zijn jij en ik. En ik kan mijn eigen horloge moeilijk stelen, dus dan blijft er maar 1 iemand over. Jij hebt mijn Rolex gestolen!”. “Maar, François, doe niet zo dramatisch, waar ga je naartoe, je gelooft jezelf toch niet!”.”Ik ga naar jouw kamer. Even rondkijken, want als jij niets gestolen hebt, dan heb je ook niets te vrezen, of wel?!”.”Nee! Tuurlijk niet! Hier, kijk zelf maar!”. Ik pakte mijn valies om François te tonen dat ik met die hele zaak niets te maken had, toen ik plots een vreemd voorwerp langs de zijkant van mijn valies voelde. Ik verstarde, dat was François duidelijk niet ontgaan. Hij pakte mijn tas uit mijn handen en haalde zijn Rolex uit een zijzakje. Hij liep boos weg. Twee volle dagen heeft hij me niet meer gesproken of aangekeken.

Het wapen kon ik nergens in de buurt vinden. Het verbaasde me dat ik nog geen traan gelaten had. Het enige wat me zorgen baarde, waren de vele vragen die mijn hoofd bijna deden ontploffen.  De kleine rode bloeddruppeltjes op het tapijt vormden een spoor naar de trap. Met muizenstapjes volgde ik ze en probeerde geen enkele vlek uit te vegen. Het spoor stopte aan de voorlaatste trede. Ik liep door tot aan de kamers, die zich aan de beide uiteinden van de gang bevonden, en zag mijn deur op een kier staan. Ik wist zeker dat ik die gesloten had, omdat zo energie gespaard werd om de andere kamers goed te verwarmen. Ik ging binnen en voelde direct de koude op de blote delen van mijn lichaam slaan. De haartjes van mijn arm gingen omhoog staan, en mijn gezicht vertrok door de kou. Het kleine dakraampje stond op een kier. De kilte won van de verwarming die op volle toeren draaide. Waarom had François deze open gezet? Om zich te wreken omdat ik zijn horloge gestolen had? Ik sloot het raampje onmiddellijk en verliet mijn kamer. Nog meer vragen drongen in mijn hoofd door. Ik wist nog dat er één van de eerste dagen iets vreemds gebeurde.

Het was een van de eerste dagen dat we naar buiten trokken. De dag bestond uit het checken van de meetstations. De temperatuur zou de komende dagen een duik nemen, dus moesten we vandaag wat doorwerken. François had de jetski’s, speciaal om op de sneeuw te reizen, al uit de garage genomen. Eigenlijk kon je het niet echt een garage noemen, eerder een grote bunker. Het had deze nacht gesneeuwd en op de laatste plaatsen waar er nog rots zichtbaar was, lag nu sneeuw opgehoopt. “We moeten door, meetstation 1 is een heel eind van hier,” zei hij. Je kon de koude wind door al je laagjes voelen, een gewoon mens kan je niet uitleggen hoe hard koude kan zijn. Het laatste wat we konden doen, was stilzitten. “Ik neem deze wel, is er voldoende brandstof in de tank?” vroeg ik. Hij stak een metertje in beide tankhouders, en knikte. “We moeten na het eerste meetstation wel terug, deze zou nog eens opgevuld moeten worden. Het eten ligt ook al in de keuken. Maar het is nu te laat om die nog te halen. Onze tijd begint te tikken, de steekproeven van 10 en 12 uur halen we anders niet.” Na tientallen minuten over de eindeloze sneeuw en ijslandschappen te hebben gegleden, kwamen we aan bij een oranje tentje. Een grote Belgische vlag hing hier aan de mast. Absurd bijna, want de omvang van de vlag was groter dan die van het tentje. We controleerden de temperatuur van het ijs, enkele meters onder ons, en deden enkele proeven.

Daarna gingen we terug naar het expeditiegebouw. We hingen alle jassen, handschoenen en broeken op de daar speciaal voor ontworpen kasten. We gingen pasta eten, gisteren hadden we die al klaargemaakt om vandaag snel door te werken. “Waar heb jij die pasta neergezet?”, vroeg François. Ik wees naar de kast terwijl ik de tafel begon te dekken. “Verdomme Paul! Die staat hier niet. Ik heb honger!” Hij sloeg de kast hard dicht en begon nerveus aan zijn horloge te draaien. Ik opende de koelkast, waar ik de dag ervoor de pasta had neergelegd. Niks, leeg. Je kon duidelijk zien dat er iets gestaan had, de ronde vorm van de kom was in het ijs gekerfd. “Ik heb ze gevonden,” schreeuwde hij door de gang. “Ze lag in de koelruimte. We hadden afgesproken daar ons voedsel niet te bewaren als we die de dag zelf nog gingen opeten!” “Maar, ik weet zeker…” mompelde ik. “Ik ben je spelletjes beu. Nog één zo’n actie en ik bol het af!” siste hij en trok een bord uit mijn handen. Zijn ogen stonden boos en aan zijn wallen te zien had hij weinig geslapen. Hij schepte een portie uit de kom, en gaf die door aan mij. Ik zou wedden dat we meer hadden klaargemaakt…

Ik liep door naar zijn kamer, ik rook direct zijn sterke lichaamsgeur. Het dekbed lag onopgemaakt op de grond. François was een net persoon, er moest hem iets ingevallen zijn. Ik wist het niet meer. Alle verwijzingen liepen dood. Ik zette alles nog eens op een rijtje. Het voorval met de bagage, het gestolen horloge, eten dat zichzelf verplaatste. Het leek zo onmogelijk. Ik liep terug naar beneden. Ik zag opeens een klein pistool op de keukentafel liggen. Ik werd misselijk, die lag er nog niet toen ik daarnet naar een wapen zocht. Toen werden alle aanwijzingen duidelijk. Er was iets mis met de bagage, hij woog natuurlijk teveel! Het horloge was dus toch gestolen waarschijnlijk werd het gebruikt om ons tegen elkaar op te zetten en een breuk te vormen. En dan die pasta nu werd mijn vermoede dat er al van gegeten werd bevestigd. Wanneer ik voor de laatste keer naar het horloge van François keek , vielen alle puzzelstukjes op zijn plaats.

We waren met zijn drieën…”